Alawieten dynastie

De Alawieten komen oorspronkelijk uit de zuidoostelijke streek Tafilalt en stammen als sjarifs af van de profeet, waardoor zij een zeer groot prestige genoten en de Marokkanen zich direct achter hen schaarden. Toch moesten zij bijna veertig Jaar strijden om hun macht te consolideren, het gepolitiseerde maraboetisme uit te roeien en het land weer één te maken. De eerste vorsten slaagden in deze zware taak, dankzij hun politieke en militaire vaardigheden en hun grote kennis van de autochtone tradities en de fundamentele principes van de islam in Marokko. De weg werd vrijgemaakt door Moelay Rasjied ( 1666-1672), de eerste grote monarch van het geslacht, die als de eigenlijke stichter van de dynastie wordt beschouwd. Hij werd opgevolgd door zijn broer Moelay lsmaïl ( 1672-1727 ), die de Alawieten hun grandeur gaf. Hij had de scherpzinnigheid van een bedachtzaam politicus, de kracht en het doorzettingsvermogen van een dappere strijder en het geluk de macht langdurig te kunnen uitoefenen. ‘Nimmer werd een sultan uit het klassieke Marokko zo strikt gehoorzaamd als hij. Nimmer werd de Marokkaanse staat in zijn oude vorm zo volledig gecentraliseerd als in zijn krachtige greep.’11 Moelay lsma1I was voor Marokko en de Arabisch-islamitische wereld van de 17e eeuw wat Lodewijk XIV in die tijd voor Frankrijk en de rest van Europa was. Net als de Zonnekoning begon hij met de bouw van zijn ‘Marokkaanse Versailles’ en verhief hij de koningsstad Meknès tot politieke hoofdstad. Vanwege de unieke stedenbouwkundige kenmerken en prachtige monumenten staat Meknès nu op de werelderfgoedlijst van de UNESCO.

Bij lsmails dood in1727 was Marokko weer een verenigd land met stabiele grenzen. Met uitzondering van een paar plaatsen die nog in Spaanse handen waren, met name Ceuta en Melilla, kwam het hele land onder een en hetzelfde gezag. Echter, evenals bij het Franse regime van de absolute en persoonsgebonden macht, betekende de dood van de vorst ook in Marokko het einde van het systeem. Na de dood van Moelay lsmaïl verviel het land weer in instabiliteit en broederstrijd tussen de kroonpretendenten. Vijf prinsen betwistten elkaar de troon, waardoor het zwarte slavenleger van hun roemrijke voorganger de kans kreeg zich in staatsaangelegenheden te mengen en de prinsen van zijn keuze de troon te laten bestijgen en af te nemen. Een van hen, Moelay Abdallah, had al zijn vasthoudendheid, intelligentie en politieke behendigheid nodig om de dynastie te redden. Abdallah besteeg de troon officieel in 1728 en hield het uiteindelijk vol tot 1757, ofschoon hij tussendoor meermalen werd afgezet. Ondanks de enorme moeilijkheden waarmee hij te kampen had, slaagde hij erin zijn tegenstanders uit te schakelen en een verenigd Marokko in stand te houden onder het vaandel van de Alawieten. Zijn zoon en opvolger Sidi Mohammed ibn Abdallah ( 1757-1790) spande zich in voor de definitieve versterking van de dynastie. Hij zette het land ook open voor de buitenwereld en bevorderde het handelsverkeer met Europa, terwijl hij tegelijkertijd probeerde Marokko’s rol als bruggenhoofd naar Zwart Afrika te behouden. De openheid van Sidi Mohammed, die als Mohammed 111 de geschiedenis is ingegaan, kreeg zijn volle betekenis toen hij als eerste de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika erkende en besloot de havens aan de Atlantische kust te ontwikkelen en hun verdedigingssystemen te verbeteren. Zo deden de scala hun intrede, nog steeds een markant punt in de havens van Marokko. Het voornaamste wapenfeit van deze sultan is echter de stichting van Essaouira als nieuw economisch centrum en poort naar het buitenland. Essaouira, dat naar het voorbeeld van het Franse Saint-Malo werd opgetrokken en nu op de werelderfgoedlijst van de UNESCO staat, combineerde voor het eerst Marokkaanse en Europese bouwtechnieken, met een typisch Europees stratenplan in schaakbord­patroon.

De opvolgers van Mohammed 111 hadden ook zeer moeilijke perioden te doorstaan. Moelay Slimane ( 17 92 -1822), Moelay Abderrahmaan ( 1822-1859 ) en Sidi Mohammed oftewel Mohammed IV ( 1859-1873 ) werden geconfronteerd met de rampzalige gevolgen van jarenlange droogte en honger, maar ook met epidem1een en tribale onlusten. Zij deden hun uiterste best om de eenheid te bewaren en het hoofd te bieden aan het werkelijke gevaar, de dreiging vanuit het bu1tenland. ln 1830 viel Algiers namelijk in handen van de Fransen, die daardoor praktisch aan de poort van Marokko stonden, en ook Spanje liet zich niet onbetuigd. Het tijdperk van het moderne imperialisme deed zijn intrede en Marokko bevond zich tegen wil en dank in openlijk conflict met deze beide mogendheden. Twee gewapende confrontaties liepen dramatisch af voor Marokko: de Slag bij lsly in 1844 tegen de Fransen en de Slag bij Tétouan in 1859-1860 tegen de Spanjaarden. Bij de vredesakkoorden kreeg Marokko zware voorwaarden opgelegd, waaronder inperkingen van de privileges van de sultan en bepalingen waarin het ex-territorraliteitsbegnsel voor Europeanen en het ‘protégésysteem’ werden bekrachtigd. Desondanks raakte Marokko zijn onafhankelijkheid niet kwijt. Moelay Hassan 1, die ,n 1873 de troon besteeg, maakte zich sterk voor de economische en militaire modernisering van Marokko en maakte handig gebruik van de diplomatieke wegen om de samenwerking met de Europese landen te bevorderen. De internationale context was voor hem ook gunstiger. Frankrijk had in 1870 de oorlog tegen Duitsland verloren en Spanje was verzwakt door de constitutionele crisis van 1868. De inspanningen van Hassan I hadden evenwel niet het beoogde succes, ofschoon Marokko wel weer een gesprekspartner werd en in zekere zin een belangrijk element in het Zuid-Europese beleid van het ge1ndustrialiseerde en imperialistische Europa. Marokko ontkwam welis­waar aan het lot van Tunesië, dat in 1888 een Frans protectoraat werd, maar in 1880 moest het zich schikken naar de bepalingen van de internationale conferentie van Madrid, die elke poging tot verandering in Marokko zonder instemming van de Europese mogendheden onmogelijk maakten.

Hassan I stierf ,n 1894. Hij werd opgevolgd door zI1n zoon, de Jonge en onervaren Moelay Abd al-Aziez ( 1894-1908). In de praktijk betekende dit dat de eerste minister, Ba Ahmed, de macht uitoefende. Toen de vizier in 1900 overleed, kreeg Moelay Abd al-Aziez daadwerkelijk de leiding en werd hij geconfronteerd met de enorme problemen in het binnen-en buiten­land In 1908 moest hij aftreden ten gunste van zI1n broer Moelay Hafied, die onder druk van de Europese mogendheden het protectoraatsverdrag van 30 maart 1912 ondertekende, waarbij Marokko in een Franse en een Spaanse zone werd opgesplitst. Door deze ingewikkelde verdeling werd het voor het Sjerifijnse Rijk in feite onmogelijk ooit nog ziJn oude grondgebied terug te krijgen, dat zich uitstrekte tot de rivier de Senegal in het zuiden en tot ver buiten de huidige grenzen in het oosten. 44jaar lang leverden patriottische sultans als Moelay Joessoef ( 1912 -1927) en vooral Mohammed V ( 1927-1961), de ‘vader van de onafhankelijkheid’, strijd om zich van het koloniale juk te bevrijden. De opbouw van een modern, open en tolerant Marokko viel te beurt aan Hassan Il (1961-1999), wiens werk nu moedig wordt voortgezet door Zijne Majesteit Mohammed Vl.