Het Arabische alfabet omvat 28 letters en wordt van rechts naar links geschreven met uitzondering van de cijfers, die van links naar rechts worden genoteerd. Boeken leest men van rechts naar links. In tegenstelling tot het Latijnse schrift zijn de lettervormen in het Arabisch afhankelijk van de plek in het woord waarin ze zich bevinden. Iedere letter heeft dan ook meerdere schrijfvormen, afhankelijk van de positie van een letter: namelijk of het aan het begin, midden, of einde van een woord of in geïsoleerde vorm voorkomt. Het schrift wordt met een aantal kleine aanpassingen ook gebruikt om o.a. het Farsi, Urdu en Dari weer te geven.

De rol van interpunctie

Get Adobe Flash player


In het Arabische schrift worden, net zoals in andere Semitische talen, alleen de medeklinkers geschreven. Door ervaring en het zinsverband weet de lezer de bijbehorende korte klinkers zelf aan te vullen. In bijvoorbeeld religieuze teksten, woordenboeken en kinderboeken staan wel klinkers aangegeven in de vorm van kleine tekentjes boven en onder de medeklinkers. Soms tref je deze zogenaamde diakritische tekens ook aan in gewone, dagelijkse teksten. Dit is om verwarring te voorkomen bij de uitspraak en soms ook de betekenis van een specifiek woord te verduidelijken.

Verschillende vormen van Arabische letters

Get Adobe Flash player


De geschreven vorm van een letter in een Arabisch woord is afhankelijk van de positie binnen het woord. Er zijn tot vier verschillende vormen van een letter. De onderstaande voorbeelden zijn met de letter ض ’ (‘Dad)

  Geïsoleerde of zelfstandige vorm: de letter staat aan het eind en volgt op een niet-verbindende letter of wordt onafhankelijk van een woord gebruikt;
  Beginvorm: de letter staat aan het begin van een woord of volgt op een niet-verbindende letter;

  Middenvorm: de letter staat tussen twee verbindende letters;

  Eindvorm: de letter staat aan het eind van het woord, volgend op een verbindende letter.

Geschiedenis van de Arabische kalligrafie

Koefische periode
De eerste kopieën van de Koran werden waarschijnlijk gemaakt in het midden van de zevende eeuw. Tegen de achtste eeuw kwam de Koefische vorm van het schrift op, als meest belangrijke uit verschillende varianten. Het Arabische alfabet bevat medeklinkers en drie lange klinkers – a, i en u. Toen de islam zich onder niet-Arabieren verspreidde, moest het makkelijker te leren worden – om de Koran te kunnen lezen en opgenomen te worden in de moslimgemeenschap. Om de tekst te standaardiseren werd een systeem van puntjes en tekens aan het Koefische schrift toegevoegd, om bij de correcte uitspraak te helpen.

Dit schrift draagt de naam “Koefisch.” Deze stijl kenmerkt zich niet alleen door hoekige vormen, maar heeft ook afgeronde kanten. Later werd het Koefisch niet alleen voor manuscripten gebruikt, maar ook voor inscripties in keramiek, metaal en steen, vaak op een achtergrond van bloemmotieven om de strengheid van de vorm te verzachten. Het Koefisch zou zich blijven ontwikkelen tot op de dag van vandaag. Tegenwoordig wordt het nog gebruikt voor titels van tijdschriften en kranten en in de telecommunicatie en informatica.

Maghribi / Andalusische schrift
Dit is het Andalusische schrift dat ook wel Maghribi-schrift wordt genoemd. Het is ontworpen in Noord-Afrika en in Andalusië verder ontwikkeld onder de naam ‘al-Qurtubi’ (van Cordoba).

Het is direct afgeleid van het Koefi-schrift, zonder invloeden van de Mashreq (het Oosten). Kenmerkend was het einde van de letters, waarvan de lussen zover open konden staan dat zij een halve cirkel vormden. De Andalusiërs ontwikkelden zo een zeer soepel schrift, zonder keurslijf van strikte regels. Hierdoor had de Noord-Afrikaanse kalligraaf bij zijn composities alle uitdrukkingsvrijheid en kon hij zijn eigen letters ontwerpen. Een bijzonderheid is ook, dat in het Maghribi-schrift Arabische cijfers worden gebruikt, terwijl in alle andere Arabische landen de Indiase cijfers worden toegepast.  

Cursieve stijlen
Uit vroege schriften heeft zich later de cursieve kalligrafie ontwikkeld, vooral gebruikt voor wereldse doeleinden. Belangrijke vormen ervan stammen uit de Oemayyadentijd (661-750), als gevolg van de toegenomen hoeveelheid teksten van de administratie van het uitdijende rijk. Tegen de eerste decennia van de Abbasidentijd werden deze steeds talrijker. Totdat er, tegen het eind van de negende eeuw, meer dan twintig cursieve stijlen in algemeen gebruik waren.

De kalligraaf Ibn Muqlah bracht eenheid in verschillende stijlen. Dit deed hij door de afmetingen van de verschillende letters met elkaar in verband te brengen. Als uitgangspunt nam hij de letter alif. Deze letter moet even hoog zijn als zeven maal de dikte van de pen. Vervolgens trok hij een cirkel om de letter. Alle andere lettertekens moeten binnen deze cirkel passen. Men noemt dit het proportioneel schrift. Een beschrijving van het ingewikkelde geometrische en mathematische systeem van Ibn Muqlah valt verder buiten deze korte uitleg.

Materialen
De vroege Korans werden geschreven op perkament (bewerkte geiten- en schapenhuiden), kalfsperkament of, hoofdzakelijk in Egypte, op papyrus. Papier werd later gebruikt; dit moest worden geïmporteerd uit China totdat het geheim van de vervaardiging ervan bekend raakte bij de arabieren, naar men zegt na de nederlaag van de Chinezen bij de slag van Samarkand in 750. Het papier werd gemaakt van linnen vezels. Pennen werden gemaakt van verscherpte riet en penselen van eekhoorn-, buffel-, kameel- of kattenhaar die werden gezet in ganzeveren.

De materialen waar de kalligraaf mee werkte waren eenvoudig: roet- of galnoteninkt, perkament of papyrus en een set pennen. De pen van de kalligraaf werd gesneden uit de stengel van de mannelijke rietplant. Ook door hedendaagse kalligrafen wordt dit materiaal gebruikt. Er zijn twee soorten pennen: in het Midden-Oosten werd een rieten pen gesneden tot een hoek van 45 graden. Daarmee is het mogelijk een overgang aan te brengen van dikke naar dunne lijnen. Voor de typisch Noord-Afrikaanse schrijfstijlen gebruikt men een pen met een recht afgesneden punt. Deze handschriften kennen geen overgang van dikke naar dunne lijnen.
Kleurstoffen waren meestal van mineralen: bijvoorbeeld vermiljoen en mercurisulfide voor rood, lapis lazuli en azuriet voor blauw, malachiet voor groen en okertinten voor geel, bruin en rood. Wit werd gemaakt van krijt of loodcarboniet. Sommige organische kleurstoffen werden ook gebruikt zoals vormen van cochenille en indigo. Alle kleurstoffen werden gemengd met een medium van Arabische gom. Goud werd toegepast als bladgoud, of als verpulverd metaal gemengd met dierlijk lijmwater.